60x1000.jpg (17864 Byte)

      Stadtmarketingverband Warstein e.V.

SMWLogo.gif (2184 Byte)

KoehlerhandwerkNL

De kleine houtskoolles.

De geschiedenis over en het maken van houtskool in het Sauerland.

Copyright:

SGV Afdeling Hirschberg e.V

www.kohlenmeiler.net

Voorzitter: Stefan Bräutigam Hagenstraße 30 59581 Warstein-Hirschberg

De geschiedenis van de houtverkoling.

Het is bewezen dat in het Sauerland sinds ca. 800 na Chr. hout verkoold werd welke diende als brandstof voor de ijzer-ertsverwerkende industrie. De rijke ijzerertswinning en de uitgestrekte bossen van het Sauer- en Siegerland boden hiervoor ideale omstandigheden.

In de Middeleeuwen stegen de benodigde ijzerhoeveel-heden door het hogere verbruik van de mensen zelf maar ook door de bouw c.q. uitbreiding van burchten en vestingen. Door de opkomst van nieuwe smelten smeedtechnieken in de 18e eeuw bloeide de ijzerindustrie meer en meer op, zodat enorme hoeveelheden houtskool geproduceerd moesten worden. In 1790 transporteerde men 7.500 ton houtskool vanuit het Sauerland naar het in ijzerproductie gespecialiseerde Siegerland.

Voor het winnen van 1 ton ijzer werden 4 ton houtskool benodigd. Voor het maken van 1 ton houtskool moest de houtskoolbrander meer dan 8 kubieke meter hout verkolen.

Deze roofbouw in de bossen leidde al gauw tot hout-schaarste. Bosbouwverordeningen werden uitgevaardigd en de eerste sparren werden als snelgroeiende boomsoort in het Sauerland geplant. Uitvoerverboden voor houtskool werden echter op grond van de snelle en goede betaling door de Siegerlanders snel vergeten.

 

Ze leidden alleen maar tot ruzie, de Siegerlanders dreigen als tegenmaatregel met de uitvoerstop van metaalproducten. In het midden van de 19e eeuw kreeg de houtskool-branderij een sterke concurrent in de steenkool. Binnen enkele jaren verviervoudigden de prijzen van houtskool en de bijdrage aan de ijzerproductie viel terug op bijna nihil. Met het begin van de ijzerertswinning in het Roergebied stopten vele van de in het

Na ca. 8 dagen was de houtstapel 'gaar'. Nu trok de kolenbrander met een krasijzer de as en verbrande grasplaggen van de brandstapel en gooide deze direct weer terug om de stapel weer luchtdicht af te sluiten. Na één of twee rustdagen was de gloed gestikt en het buitenste deel van de brandstapel afgekoeld. De kolenbrander opende de brandstapel en verwijderde de buitenste laag verkoold hout, de kant-en-klare houtskool. De rest van de brandstapel werd weer bedekt met de as om verder af te koelen. Dit werd in de loop van de daaropvolgende dagen herhaald totdat de hele brandstapel afgedekt was. Na het definitieve afkoelen van de houtskool werd deze naar keuze in zakken verpakt of in karren afgevoerd.

Vrij naar mondelinge overleveringen en

"Die Holzverkohlung im Sauerland" Alex Schlinkert - Grobbel Verlag 1987

 

Het aansteken en afbranden van de houtstapel.

In de directe omgeving van de grote houtstapel bouwde de kolenbrander een kleine houtstapel (zgn. Fuchs) en brandde deze af. Deze houtskool gemengd met sintels werd door de vulopening in de luchtschacht van de grote houtstapel geschud. De vulopening sloot men aansluitend af met een ijzeren plaat. De gloed trok nu door de luchtschacht naar boven en verbreidde zich vervolgens trechtervormig door het gestapelde hout naar beneden. Gereguleerd en gestuurd werden de hittetoevoer en later het verkolingsproces door trekgaten aan de voet van de brandstapel. De kolen in de luchtschacht verloren aan grootte en de kolenbrander moest de houtstapel enkele uren lang steeds weer met kolen, gloeiende sintels en kleinere stukjes hout aanvullen.

Door de zich in de brandstapel ontwikkelende hitte werd de vloeistof uit het hout getrokken, wat goed te herkennen was aan de dikke witte rook die optrok. Met de intrede in het exo-therme (= warmte afgevende) verkolingsstadium bij ca. 270°C kon de brandstapel op eigen kracht verder branden, de rook werd lichter en doorzichtiger. In het midden van de stapelwand stak de kolenbrander vervolgens rookgaten (luchtgaten). Was de rook wit en dicht, dan was het hout nog niet verkoold. Zodra de dan bijna doorzichtige lichte rook blauwachtig werd moest het rookgat snel gesloten en iets lager een nieuw gat gestoken worden.

Het volume van de brandstapel zakte tijdens het brand-proces op ca. eenderde van zijn oorspronkelijke grootte. Binnenin ontstonden temperaturen tot 1000°C. Viel de brandstapel aan één kant zeer sterk naar binnen, dan moest deze deuk direct opgevuld c.q. afgedekt worden, want het hout in de stapel mocht niet verbranden maar slechts verkolen. Ook door het 'schudden' van zo'n stapel (explosies van gassen die niet konden ontsnappen) ontstonden zulke deuken.

 

Sauerland werkende smederijen; de kolenbranders werden van hun belangrijkste klanten beroofd.

Ondanks deze moeilijkheden startte Theodor Leiße in 1880 een houtskoolbranderij op basis van woudbrandstapels op in Hirschberg. Belangrijkste klant was de Warsteiner ijzererts-fabriek. In verband met een betere verkeersverbinding verhuisde hij in 1882 naar Meschede en bouwde daar een fabriek voor de verdere verwerking van houtskool tot brokken, stof en briketten. Van de tot wel 180 tewerkgestelde kolenbranders kwamen er 80 uit de houtskoolstad Hirschberg. Het verkolen van hout was daarmee één van de belangrijkste inkomstenbronnen van vele Hirschbergers. De steeds sterker wordende concurrentie door de steenkool en de chemische houtskoolproductie leidden tot het einde van de kolenbranderijen in de wouden.

In 1974 werd, kort voor de gemeentelijke herindeling, op de huidige houtskoolbranderij in Hirschberg, een oude brand-stapelplaats, en op initiatief van de toenmalige burgemeester van de stad Hirschberg en tevens SGV-voorzitter Paul H. Wellmanns een voorbeeldbrandstapel als technisch kultuurmonument van de Hirschberger houtskoolbranderij en tevens als openbare tentoonstelling opgericht. Voormalige kolenbranders hielpen de gemeentewerkers van Hirschberg met de opbouw ervan.

In 1980 besloot de SGV-afd. Hirschberg om het oude Hirschberger handwerk nieuw leven in te blazen. Onder de vakkundige leiding van de drie toendertijd nog levende kolen-branders Heinrich Cramer, Heinrich Hirnstein en Karl Mestermann richtten vier SGV-hobbykolenbranders een houtstapel op en brandden deze tot houtskool. De brandstapel in het jaar 2001 is, na de eerdere stapels in 1984, 1987, 1992 en 1997, de zesde van de SGV-afd. Hirschberg.

 

Hoe werd hout tot houtskool.

De voorbereidingen.

In de winter kapte de kolenbrander de benodigde hoeveelheid hout voor de houtverkoling. Alle soorten hout konden hiervoor gebruikt worden, maar het beukenhout leverde de grootste opbrengst, welke de kolenbrander, die naar hoeveelheid werd betaald, natuurlijk zeer gelegen kwam. Op grond hiervan werden meestal ook meerdere brandstapels parallel door één kolenbrander of een groepje kolenbranders beheerd. Het benodigde hout werd gekapt, in één meter lange stukken gezaagd, gespleten en aan de rand van een brand-stapelplaats opgestapeld. Deze brandstapelplaatsen lagen altijd gunstig t.o.v. wind en water. De wind beïnvloedde het afbranden van de brandstapel, het water werd gebruikt om te blussen. Men gebruikte bij voorkeur oude brandplaatsen, omdat die meestal droger waren en de bodem luchtdichter was, wat leidde tot een betere kwaliteit houtskool.

Het leven van een kolenbrander.

Voordat de kolenbrander in het voorjaar met het maken van houtskool begon bouwde hij een cirkelvormige hut. De basis vormden drie stabiele beukenpalen die tegen elkaar gelegd werden. Daar leunden verdere beukenpalen tegen en men dekte de hut aansluitend met grasplaggen af.

Door een opening in de nok kon de rook van het vuur wegtrek-ken. Als regenbescherming zette men bovenop het dak nog een hoed, een zgn. koekoek. Deze hut was nu het thuis voor de kolenbrander.

 

Omdat de kolenbrander, ook 's nachts, veel inspectierondes liep, sliep hij in zijn werkkleren die slechts eens in de twee à drie weken tijdens korte thuisbezoeken werden gewisseld. Britsen van beukenpalen gedekt met zakken bosgrond of loof dienden als slaapplaats. Hij waste zich in de nabijgelegen beek. De kolenbrander at voornamelijk brood, soepen van peul-vruchten en spek.

Natuurlijk trof men in elke hut ook een fles jenever aan. Als bescherming tegen muizen werden de voedings-middelen aan het dak gehangen en de broekspijpen bij het slapen dichtgebonden. Een andere veel voorkomende gast van de kolenbrander was de boswachter. Hij controleerde de maaltij-den, omdat stroperij geen zeldzaamheid onder de kolenbranders was.

Het bouwen van een houtstapel.

Vòòr de bouw van een houtstapel werd de as van de plaats geveegd. In het midden van de stapelplaats werd van drie stangen en ijzerringen een cylindervormige luchtschacht (Quandelschacht) met een vulopening gemaakt. Rondom deze schacht stapelde de kolenbrander het hout (Kohlholz) met een lichte hel-ling naar de schacht. De top van de zo ontstane kegel werd met korte houtstokken afgerond (Haube). Het ruwdak (Rauhdach) bestond uit grasplaggen die met de groene kant op het hout werden gelegd. Aansluitend werd de bijeengeveegde as op de houtstapel verdeeld (zwartmaken van de stapel), om deze luchtdicht af te sluiten.

Meiler